Een Ode aan de Westlandse Glastuinbouw

 

De Glazen Stad. Het Westland dankt zijn bijnaam aan de talloze glazen kassen die al sinds 1850 het Westlandse landschap domineren. Eerst nog klein en simpel, met een focus op de druiventeelt. Zo’n 100 jaar later ontstonden ook de eerste warenhuizen. Kwekers ontdekten het voordeel van de gesloten, verwarmde kassen: meer diverse eigen teelt. Er hoefden minder producten uit warmere landen te worden geïmporteerd. Sterker nog, ze konden zo zelf hun groente, fruit, planten en bloemen naar het buitenland exporteren. Deze export heeft het Westland wereldwijd op de kaart gezet.

Wie zelf is opgegroeid in het Westland, zal hierdoor ongetwijfeld al vaker met de tuinbouw in aanmerking zijn geweest. Menig Westlander heeft zijn of haar vrije zaterdagochtend in de kas doorgebracht. Ook in hartje zomer. In de bloedverziekende hitte. Tomaten plukken. Het heeft de Westlanders de reputatie opgeleverd à la de Rotterdammers— ‘niet lullen, maar poetsen’. Die to-to-tomatenplukkers werken daarbij niet alleen hard, maar ook slim. Het Westland staat nog altijd bekend als het kenniscentrum van de tuinbouw in Nederland. Er worden continu nieuwe innovaties bedacht. Allemaal met hetzelfde doel: zoveel mogelijk teelt en zo efficiënt mogelijk. Waar de vroege kwekers zich nog richtten op de vraag onder welk soort glas het gewas moest worden gekweekt, wordt anno 2023 gekeken naar de robotiseringsmogelijkheden in de kassen.

De afgelopen jaren is de tuinbouw ook om een andere reden veel in het nieuws geweest: het thema duurzaamheid. Inmiddels weten we allemaal dat het niet bepaald de goede kant opgaat met het klimaat. De aarde warmt op, dankzij de broeikasgassen die vrijkomen bij de verbranding van fossiele brandstoffen. Broeikasgassen zoals aardgas. En laat dat nu juist de brandstof zijn die de tuinbouw volop gebruikt. Eind vorig jaar haalde tuinbouw daarom opnieuw de headlines. Maar niet op een positieve manier. Televisiepresentator Arjen Lubach kaartte de hoge CO2 aan in een item van zijn programma De Avondshow.  De sierteelt zou onnodig bijdragen aan de opwarming van de aarde, doordat het veel aardgas gebruikt voor het kweken van ‘nutteloze’ sierbloemen. Dat viel niet in goede aarde bij sierteeltkwekers. Zo is een sierbloem volgens hen niet nutteloos, maar een product met een betekenis. Een gevoelsproduct. Een die je overhandigt aan iemand op een bruiloft of juist een begrafenis.

Een andere reden dat de kwekers woedend waren op de uitspraken van Arjen Lubach, is het feit dat de tuinbouwbedrijven hiermee wordt weggezet als energieslurpers. Dat is onterecht, halen zij aan in een artikel van het AD Westland. Toegegeven, kassen gebruiken inderdaad veel gas—een gemiddelde tuinbouwkas verstookt in een uur net zoveel gas als een gezin in en jaar. Maar tegelijkertijd leveren kassen ook energie aan het lokale elektriciteitsnet door middel van warmtekrachtkoppeling (WKK). Een deel van het onbalans in het elektriciteitsnet wordt rechtgezet door de WKK-installaties in de tuinbouw. Deze installaties benutten juist de restwarmte die vrijkomt bij het stoken, waardoor veel CO2  kan worden bespaard. Sterker nog: de CO2  van de WKK wordt gebruikt om de groei te stimuleren en draagt hierdoor bij aan de productie. Deze installaties zijn bovendien flexibeler dan energieopwekkers als wind en zon en daarmee interessant. De tuinbouw vormt zo een grote leverancier van stroom. 

 

 

De tuinbouw produceert daarbij vele malen meer energie dan het verbruikt, op een waterzuinige manier. Hierdoor kunnen veel hogere productieniveaus worden gegenereerd per m2 om ons allemaal van groente, bloemen en planten te voorzien. Met zijn bewering miskent Arjen Lubach dus het feit dat de tuinbouw juist een belangrijke rol speelt in de verduurzaming.

De tuinbouw heeft deze rol voorlopig ook nog zeker niet uitgespeeld. De tuinbouw loopt al jarenlang voorop op nieuwe technieken. Energiezuinige technieken. De Nederlandse glastuinbouw heeft immers altijd moeten concurreren met kwekers uit andere, warmere landen—en met elkaar. De tuinbouw heeft er dus baat bij om innovatief te zijn en de concurrentiepositie sterk te houden. Dat betekent niet dat de tuinbouw het wiel opnieuw zal uitvinden—bijna alle technieken zijn al eens toegepast. Sommige succesvol en sommige minder succesvol. Maar met de woorden van Thomas Edison in het achterhoofd (‘Vele mislukkingen zijn gevolg van het feit dat men zich niet realiseerde hoe dicht men bij het succes was, toen men het opgaf’) blijft het nodig om te proberen. Risico’s en foute toepassingen zijn ook nodig voor innovatie.

Wellicht zal de energielevering voor de tuinbouw een combinatie zijn van verschillende bronnen. Bijvoorbeeld de elektrische ketel, de warmtepomp, gas– of waterstof, geothermie en restwarmte vanuit de industrie. Dit zal altijd afhankelijk zijn van de locatie van de tuinbouwkas, het type teelt en het benodigde vermogen. Mogelijk zal het ketelhuis in de toekomst ook bestaan uit meerdere warmtepompen, waardoor de kweker op basis van de gewenste beschikbaarheid en prijs, de gewenste bron benut om de kas te verwarmen. Oftewel, de energielevering zal niet per se komen van nieuwe bronnen, maar van bronnen die anders zijn toegepast.

Uiteindelijk dient de tuinbouw als CO2 –consument wel de eigen verantwoordelijkheid te pakken voor de CO2-uitstoot.  Daar is de tuinbouw zichzelf ook van bewust. In de tuinbouwsector wordt er daarom continu hard aan gewerkt om teelt te produceren op een manier die niet alleen zo efficiënt, maar ook zo duurzaam mogelijk is. 

 

Dit artikel is afkomstig uit de Verkade Klimaat-krant 'De Thermostaat' d.d. 21-12-2023.